1            Woord vooraf

Het Libertarisme is gefundeerd op twee beginselen.

Het eerste is zelfeigendom, ook wel genoemd zelfbeschikking.

Ieder mens is soeverein en heeft de vrijheid om zijn leven naar eigen inzicht in te richten en te doen en laten wat hij wil, met als enige beperking dat hij anderen diezelfde vrijheid laat.

Libertarisme is gestoeld op het fundamentele beginsel dat alle mensen soeverein zijn en een onvervreemdbaar natuurrecht genieten om in vrijheid te leven. Soeverein drukt uit dat ieder mens zijn eigen meester is, dat wil zeggen geen ander “boven” zich heeft staan of hoeft te dulden. Naar eigen inzicht inrichten duidt op zelfbesschikking: een ander heeft daarover niets te zeggen. Een individu bepaalt niet hoe een ander individu moet leven. Anderen dezelfde vrijheid laten geeft uiting aan een natuurlijke begrenzing. In zijn streven dient een mens de vrijheid van een ander mens te respecteren. De enige restrictie voor de vrijheid van een individu is dat diens daden geen inbreuk mogen maken op diezelfde vrijheid van een ander.

Met dit leidend thema streeft het Libertarisme naar een samenleving waarin tegen niemand dwang of drang wordt uitgeoefend, bedreigingen worden geuit of agressie wordt gebruikt. Mensen zijn alleen vrij wanneer zij naar eigen inzicht kunnen beschikken over hun leven en eigendommen: ieder mens moet naar eigen goeddunken zijn eigen keuzes kunnen maken, zijn ambities kunnen nastreven, zijn eigendommen kunnen benutten en zijn unieke talenten kunnen ontplooien. Het Libertarisme beschouwt deze balans van gelijkwaardigheid als de bron van alle rechtvaardigheid en tevens als een wezenlijke voorwaarde voor een vrije, vreedzame en bloeiende samenleving.

Het tweede beginsel is het zogenoemde non-agressieprincipe (of consistent naar de Engelse uitdrukking NAP genoemd (Non Agression Principle).

Een individu dient geen agressie te initiëren tegen een ander individu.

Kernwoord is initiëren; een individu kan zonder consequenties reageren op agressie van een ander met agressie van zijn kant.

Uit beide beginselen vloeit voort dat het Libertarisme ernaar streeft een situatie te verwezenlijken waarin de natuurrechten van ieder individu worden beschermd. Het Libertarisme erkent in het verlengde hiervan de vrijheid van ieder mens om zichzelf te verdedigen tegen inbreuken (of dreigende inbreuken) op zijn vrijheid, eigendom of de integriteit van zijn lichaam of geest. Iedere schoffering van dit beginsel houdt onderdrukking van een individu in en is onverenigbaar met het natuurrecht van dat individu.

Overheden hebben door de geschiedenis heen gewerkt vanuit het tegenovergestelde uitgangspunt, namelijk dat de staat de exclusieve autoriteit heeft de natuurrechten van individuele mensen af te nemen of in te perken. Overheden zijn evenwel niets anders dan geïnstitutionaliseerde verbanden van een select gezelschap individuen, die handelen alsof ze alle individuen vertegenwoordigen. Zij ontlenen hun rechten en bevoegdheden aan de individuen die deze tot stand hebben gebracht. Het Libertarisme wijst van de hand dat een overheid dat zichzelf toegeëigende recht gebruikt om de vrijheid van anderen op enig welke manier te frustreren.

Libertarisme spreekt zich op zichzelf niet uit over moraliteit, over gewenst gedrag. Het omvat geen waardeoordeel wat goed en fout gedrag is, zoals bijvoorbeeld in religieuze overtuigingen wordt uitgedragen. Wat is gewenst? Wie bepaalt dat? Ieder mens heeft zijn eigen uinieke morele kompas en is zelf verantwoordelijk voor de gevolgen van zijn keuzes en daden. Zolang individuen zich houden aan het NAP, is er geen reden ze uit een libertarische samenleving te weren. Het Libertarisme streeft, kortom, naar een samenleving waarin alle betrekkingen tussen mensen en groepen van mensen volledig en uitsluitend berusten op vrijwillige instemming van alle betrokkenen. Een wereld waarin initiëren van dwang, drang, geweld en bedrog als misdadig geldt, en waarin alle vormen van menselijk handelen zich in vrijheid kunnen ontwikkelen.

De Fundamentele Libertarische Uitgangspunten beogen een nadere, vooral praktische, precisering van deze beginselen te verschaffen, zodat er een duidelijke grondslag is wat Libertarisme behelst. Mensen zijn uniek en hebben derhalve verschillende achtergronden, verwachtingen en percepties. Dit document poogt die verschillen zoveel mogelijk glad te strijken en mispercepties weg te nemen. Allereerst worden de van belang zijnde begrippen en termen gedefinieerd. Vervolgens zijn, afgeleid van de twee beginselen, de fundamentele libertarische uitganspunten geformuleerd. Tot slot is de rationale van begrippen en principes nader toegelicht, opdat duidelijk is hoe de begrippen en principes bedoeld zijn c.q. moeten worden geïnterpreteerd. Hiertoe zijn begrippen en principes van een nummer voorzien die verwijzen naar de betreffende toelichting.

Tot besluit wijzen we erop dat het document dynamisch is, net zoals de samenleving dat is. We nodigen dan ook iedere lezer uit met suggesties te komen waarmee de libertarische beginselen verder kunnen worden verduidelijkt en verbeterd.

Januari 2022,

Edwin Delsing

Henk van Ekelenburg

2            Definities en begrippen

2.1                Vrijheid (Individuele (of persoonlijke) vrijheid)

Vrijheid is de omstandigheid of toestand waarbij een mondig individu kan doen en laten wat het wil zonder tussenkomst van enig element van dwang, drang, bedreiging of een andere vorm van beïnvloeding die negatieve consequenties hebben, in de ruimste zin van het woord, voor lijf, eigendom of dierbaren. [1]

2.2                Mondig (mondigheid)

Een mondig individu is een mens die over voldoende geestelijke vermogens beschikt om (i) het verschil te onderkennen tussen goed en kwaad, en (ii) de gevolgen van zijn daden of handelingen te overzien respectievelijk te kunnen inschatten, en daardoor toerekeningsvatbaar is of kan worden gesteld c.q. gehouden voor eventuele negatieve consequenties die zijn daden of handelingen, hetzij voor hemzelf, hetzij voor anderen, teweegbrengen. [2]

2.3                Agressie, agressor en geweld

Agressie is een opzettelijke gedraging van significante aard die negatieve gevolgen veroorzaakt voor het object – personen, dieren. eigendommen, de leefomgeving of de natuur – waartegen die gedraging is gericht, dan wel de bedoeling of de dreiging in zich heeft die te veroorzaken.

Een agressor is een individu die agressie initieert tegen een ander individu.

Geweld is een vorm van agressie waarbij gebruik wordt gemaakt van fysieke kracht of macht van meer dan onbetekenende aard. [3]

2.4                Dwang en drang

Dwang is met gebruik van geweld een individu in een toestand of omstandigheid te brengen, opdat die acties neemt, nalaat of duldt.

Drang is een vorm van dwang (of bedreiging) door een agressor waarbij een individu de keuze wordt gelaten tussen twee of meer beperkingen van diens vrijheid. [4]

2.5                Bedreiging en intimidatie

Een bedreiging is een actie van een agressor of groep van agressors waarmee een individu door woorden of daden negatieve gevolgen in het vooruitzicht worden gesteld.

Intimidatie is beïnvloeding van het gedrag van een individu door het angst aan te jagen door bedreiging, als het individu zijn gedrag niet aanpast. [5]

2.6                Vrijheid van meningsuiting

De vrijheid van een individu om zijn gedachten in het openbaar – in gesprekken en gedrukte tekst, in beeldende vorm en liedjes, op radio, televisie en internet – te ventileren zonder dat dat negatieve consequenties heeft voor zijn lijf, eigendom of dierbaren. [6]

2.7                Vrijheidsbeperking

De toestand of omstandigheid waarbij een individu niet kan doen en laten wat het wil, zonder dat dat consequenties heeft voor lijf, eigendom of dierbaren. [7]

2.8                Actief en passief recht

Actief recht behelst de omstandigheid of situatie waarin een individu activiteiten of handelingen kan initiëren, verrichten, nalaten of dulden, waarbij een ander individu, of groep van individuen, deze niet kan belemmeren, frustreren,of tenietdoen zonder dat dat potentieel negatieve consequenties heeft, of – op grond van normen en waarden die in de samenleving algemeen gangbaar zijn – behoort te hebben voor vrijheid of eigendom van die andere individu of groep van individuen.
Passief recht behelst de omstandigheid dat een individu ervan mag uitgaan dat zijn persoonlijke vrijheid, keuzes en eigendommen worden gerespecteerd, mits door uitoefening van zijn vrijheden, maken van keuzes of exploiteren van eigendommen de vrijheid of eigendommen van een ander niet worden aangetast. [8]

2.9                Recht op eigendom

De omstandigheid dat een individu eigendommen kan bezitten, waarbij een ander individu, of groep van individuen deze zonder uitdrukkelijke vrijwillige toestemming van de eigenaar niet kan exploiteren, wegnemen, beschadigen, onbruikbaar maken of vernietigen, zonder dat dat potentieel negatieve consequenties heeft of behoort te hebben voor de vrijheid of eigendom van dat andere individu of van die groep van individuen. [9]

2.10             Recht op vereniging en afscheiding

Het recht op vereniging is de omstandigheid dat een mondig individu naar eigen goeddunken en in vrijheid verbindingen met andere individuen kan aangaan.

Het recht op afscheiding behelst dat een mondig individu eerder aangegane verbindingen, allianties of andere vormen van vereniging met andere individuen naar eigen wil en goeddunken ongedaan kan maken. [10]

2.11             Natuurrecht

Een recht dat automatisch en onlosmakelijk aan een individu is verbonden bij diens geboorte; een natuurrecht is onvervreemdbaar.[11]

2.12             Samenleving en maatschappij

Een samenleving (gemeenschap) is een groep mensen die in groter verband een geheel vormen en waarbinnen sociale interactie bestaat tussen de individuen die de groep vormen, gebaseerd op gemeenschappelijke normen en waarden en wederzijds respect voor elkaars individualiteit.

Een maatschappij is een samenleving met haar geformaliseerde en institutionele inrichting en ordenende aspecten, binnen een beschouwd territorium zoals een staat. [12]

2.13             Normen en waarden

“Normen en waarden” is een containerbegrip dat uitdrukking geeft aan de veelal ongeschreven omgangsvormen en beginselen die mensen bij hun handelingen in interactie met anderen hanteren. [13]

2.14             Redelijk en billijk (Redelijkheid en billijkheid)

“Redelijkheid en billijkheid” is een begrip dat samenhangt met gewoonterecht en uitdrukt wat als eerlijk en rechtvaardig wordt beoordeeld door rationeel handelende mensen in de context van algemeen geaccepteerde, intuïtief juiste, normen en waarden. [14]

3            Fundamentele libertarische uitgangspunten

3.1                Natuurrechten

3.1.1            Streven naar levensgeluk

Ieder individu heeft het actieve natuurrecht op streven naar levensgeluk, ongeacht zijn geslacht, etniciteit, seksuele geaardheid, levensbeschouwing of wat dan dan ook, en heeft hieruit voortvloeiend de vrijheid zijn leven naar eigen keuzes in te richten en naar eigen inzicht te leiden (recht op zelfbeschikking), mits zijn streven de natuurrechten van anderen niet belemmert, frustreert, tenietdoet, of op enige andere wijze daarop inbreuk maakt. [17]

3.1.2            Integriteit van lichaam en geest

Ieder individu heeft het passieve natuurrecht op de integriteit van zijn lichaam en geest. [18]

3.1.3            Eigendom

Ieder individu heeft het natuurrecht om eigendom te bezitten (passief recht) of te verwerven (actief recht) [9], [19], mits dat eigendom:

  1. is verkregen door een transactie met vrijwillige instemming van de vorige eigenaar onder normaal geachte omstandigheden en tegen redelijke en billijke condities, of
  2. door hetzelf gecreëerd of door diens arbeid of geestelijke inspanning voortgebracht, en daarover kan beschikken op de manier waarop het goeddunkt resp. daarmee kan doen wat het wil.

3.1.4            Vrijheid van meningsuiting

Ieder individu heeft het actieve natuurrecht op vrijheid van meningsuiting. [6]

3.1.5            Zelfverdediging

Ieder individu heeft het actieve natuurrecht zich te verdedigen [20]:

  1. tegen agressie die is gericht tegen de integriteit van zijn lichaam of geest, waaronder begrepen zijn leven;
  2. tegen vrijheidsberoving of dreiging daartoe;
  3. tegen agressie gericht tegen zijn dierbaren of andere individuen voor wie het de verantwoordelijkheid heeft c.q. die aan zijn zorg zijn toevertrouwd;
  4. tegen inbreuk of dreigende inbreuk van zijn eigendom;
  5. tegen aantasting van zijn eer of goede naam en faam;

3.1.6            Wraak

Ieder individu heeft het actieve natuurrecht wraak te nemen voor wat het is aangedaan. [21]

3.2                Andere rechten

3.2.1            Vereniging

Ieder individu heeft actieve recht op vereniging, mits de verbinding met anderen niet ten doel heeft de vrijheid c.q. de rechten van anderen te belemmeren, te frustreren, teniet te doen, of op enige andere wijze daarop inbreuk te maken. [22]

3.2.2            Afscheiding

Ieder individu heeft zonder voorbehoud het actieve recht op afscheiding, met dien verstande dat eventuele schade die het directe of indirecte gevolg is van die de afscheiding en die bij de eraan voorafgaande verbinding in redelijkheid en billijkheid is afgesproken dient te worden vergoed. [22]

3.2.3            Discriminatie

Ieder mondig individu heeft het actieve recht onderscheid te maken (te discrimineren) met wie hij interacteert of zich verbindt, zowel in een informele sociale context, als in structureel verband via vereniging of formele overeenkomst. [23]

3.3                Onderliggende principes

3.3.1            Niet-initiëren van geweld: het non-agressieprincipe (NAP)

Een individu dient geen agressie te initiëren tegen een ander individu of groep van individuen.[24]

3.3.2            Principe van proportionaliteit

Het principe van proportionaliteit behelst dat daden en handelingen die negatieve consequenties hebben of mogelijk kunnen hebben voor anderen in een redelijke mate in verhouding dienen te staan tot het doel of beoogde voordeel van die daden en handelingen. [15]

3.3.3            Vervangingingsbeginsel

Het vervangingsbeginsel betekent dat wanneer een individu alternatieve acties tot zijn beschikking heeft om een doel te bereiken, het bij zijn acties en handelingen behoort te kiezen voor de manier die de minste negatieve gevolgen heeft, of mogelijk kan hebben, voor anderen, tenzij die manier naar redelijkheid en billijkheid niet van het individu kan worden verlangd. [16]

3.4                Vrijheidsbeperkingen

3.4.1            Respect voor vrijheid en rechten van anderen

Als algemeen uitgangspunt dient een individu de natuurrechten van anderen te respecteren.

Bij zijn activiteiten en handelingen dient een individu a priori de vrijheid van een ander niet te frustreren of te blokkeren, waaronder mede begrepen dat het individu activiteiten en handelingen achterwege laat die de ander last of schade berokkent. [25]

3.4.2            Beperking van gebruik van geweld

Bij het gebruik van geweld ter uitoefening van zijn natuurrecht op zelfverdediging dient een individu zich te houden aan het principe van proportionaliteit. Escalatie van geweld dient te worden vermeden waar en wanneer dat mogelijk is; het individu dient geen ongerechtvaardigd overtreffend geweld te gebruiken.[24]

3.4.3            Beperking van de vrijheid van meningsuiting

Bij uitoefening van zijn natuurrecht op vrijheid van meningsuiting dient een individu zich te onthouden van uitingen die:oproepen tot of sanctioneren van schending van natuurrechten van een ander individu genoemd in uitgangspunten 3.1.1, 3.1.2 en 3.1.3. [26]

3.4.4            Misbruik van eigendom

Een individu mag zijn eigendom niet misbruiken als middel om van anderen iets af te dwingen of anderen in hun streven, mits dat streven redelijk en billijk is, te belemmeren, te frustreren, teniet te doen of onmogelijk te maken. [27]

4            Toelichting

  1. 2.1] Vrijheid is een containerbegrip geworden dat veel mensen te pas en te onpas in de mond nemen. Het wordt daarmee snel betekenisloos. In de libertarische context wordt met vrijheid individuele vrijheid bedoeld, en niet zozeer de vrijheid van een groep mensen, een volk of een natie wat wordt geduid met collectieve vrijheid.

Nauw verwant is vrijwilligheid. Dat drukt een omstandigheid of toestand uit waarbij daden uit vrije beweging gebeuren, dat wil zeggen zonder dat er sprake is van dwang, drang of dreiging daartoe.

  • 2.2] Mensen zijn van nature voorbestemd om zelfbewuste, gesprekvaardige personen te worden. Gesprekvaardigheid, zelfbewustzijn en persoonlijkheid zijn eigenschappen die uniek zijn voor de mens als biologische entiteit. Gesprekvaardigheid (mondigheid) is noodzakelijk voor de omgang met andere mondige individuen.
    Mondig schurkt aan tegen handelingsbekwaaam. Dat laatste is echter beperkt tot aangaan van rechtshandelingen in de context van het rechtssysteem dat in de meeste Westerse landen vigeert. Mondigheid gaat verder en appelleert aan gedragingen in een ruimere context en  impliceert dat mensen verantwoordelijk zijn voor hun gedragingen. Individuen zijn in principe als mondig te beschouwen anaf de leeftijd van 16 jaar.

    Onmondige individuen zijn kinderen en mensen die niet over hun volledige geestelijke vermogens beschikken (geestelijk gehandicapt, dement, …).
    Onmondige mensen dienen te worden vertegenwoordigd door een voogd. In het geval van  kinderen zijn dat gewoonlijk de ouders.
  • 2.3] Het primaire object van agressie is een persoon en houdt in dat er actie wordt genomen die negatieve consequenties heeft voor de natuurrechten van dat individu. In de libertarische context is agressie ruim gedefinieerd en omvat niet alleen gewelddadige bejegening die gevoelsmatig vaak eronder wordt verstaan. Ook fraude en bedrog, bijvoorbeeld, zijn een vorm van agressie.

Opzettelijk in de formulering impliceert dat de agressieve daad moedwillig is en de bedoeling heeft een ander individu iets aan te doen van meer dan onbetekenende aard, bijvoorbeeld schade te berokkenen. Kernpunt is dat de agressor op eigen gewin uit is ten koste van de ander. De formulering de dreiging in zich heeft […] is toegevoegd om niet alleen het moment van de feitelijke daad te bestempelen als agressie, maar ook de aanloop ernaartoe.

Een agressor is iemand die agressie begint. Geweld of andere vormen van agressie als zelfverdediging tegen een agressor is aanvaardbaar. Zie verder [20]

Geweld in deze definitie is fysiek van aard; verbaal ‘geweld’ is een contradictio in terminis – verbale agressie is de correcte term. Geweld wordt gebruikt om: (i) te dwingen tot acties of handelingen die een individu vrijwillig niet wil doen of gedaan zou hebben, (ii) letsel toe te brengen, of (iii) schade te berokkenen. Een stoot of andere beweging die per ongeluk letsel veroorzaakt, valt niet onder de definitie van geweld. De uitgeoefende kracht dient substantieel te zijn, hetzij gericht tegen personen of dieren die de dood of letsel veroorzaakt of de kennelijke -bedoeling heeft die te veroorzaken, hetzij gericht tegen eigendommen die schade toebrengt of de kennelijke bedoeling heeft die toe te brengen.

Daarnaast omvat de definitie andere objecten van agressie, maar deze objecten hebben in de libertarische context wel een verbinding met een individu. Agressie tegen eigendommen (inclusief dieren die als eigendom van een individu worden beschouwd) zijn logisch. Agressieve daden tegen dieren of het leefmilieu zijn niet direct tegen een ander individu gericht (mits althans een dier of het onderhavige deel van het milieu geen eigendom van een ander individu is) en vallen om die reden buiten de werkingssfeer van agressie zoals bedoeld in het libertarisme. Anderzijds kunnen het leefmilieu en de natuur in ruime betekenis worden beschouwd als een eigendom van alle mensen, en in dat kader is agressie een aanval op het individu. Dieren die in de vrije natuur leven en dus geen eigendom betreffen zijn niet bedoeld. Over doden van dieren voor voedsel, kleding of anderszins is het libertarisme neutraal. Jacht en visserij zijn dan ook geen vorm van agressie in libertarisch opzicht. Niettemin kunnen mishandeling van dieren, milieuvervuiling of schade toebrengen aan de natuur gezien worden als destructieve daden die niet passen in een vreedzame samenleving.

  • 2.4] Dwang, drang, bedreiging, intimidatie zijn samenhangende begrippen.
    Dwang heeft, volgend uit de definitie van geweld, altijd een fysiek karakter. Kenmerkend is dat de bewegingsvrijheid van een individu met geweld door een agressor wordt beperkt. Opsluiting, kluistering, bedwelming, e.d. zijn eveneens vormen van dwang.
    In het dagelijkse taalgebruik kan iemand zich “gedwongen voelen” iets te moeten doen. Dat kan uit zijn innerlijke overtuiging, motivatie of verslaving voortkomen – dat is geen dwang in het kader van deze definitie. In geval deze “gevoelde dwang” zijn oorsprong vindt in woorden of acties van anderen dan is er sprake van bedreiging of intimidatie, zolang de gevoelde dwang (nog) geen fysiek karakter heeft.

Drang is een vorm van indirecte dwang of dreiging daartoe door een agressor waarbij een individu slechts kan kiezen uit opties die nadelig voor het zijn. Als iemand aangezet wordt tot actie door een externe dreiging die niet samenhangt met een agressor, bijvoorbeeld een dreigende vulkaanuitbarsting of wervelstorm, dan is er geen sprake van drang in het kader van deze definitie.

Drang is een begrip dat in de gezondheidszorg is ontstaan, bijvoorbeeld wanneer een psychiatrische patiënt de keus wordt gelaten tussen opsluiting in een isoleercel en slikken van bepaalde medicijnen. De coronamaatregelen, waarbij mensen vrijheidsbeperkingen kregen opgelegd als ze zich niet lieten vaccineren, zijn een voorbeeld van drangmaatregelen. Ook bepaalde criminele activiteiten, zoals afpersing en chantage, zijn in de kern als drang aan te merken.

  • 2.5] Een bedreiging is een actie van een andere individu of groep van individuen waarmee een individu door woorden of daden negatieve gevolgen in het vooruitzicht worden gesteld. Nauw verwant aan bedreiging is intimidatie. Met intimidatie wordt een individu onder druk gezet om zijn gedrag te veranderen door bedreiging, indien het individu zijn gedrag niet aanpast.
  • 2.6], [3.1.4] De vrijheid van een individu om zijn gedachten in het openbaar te ventileren is een kenmerk van een harmonieuze samenleving. In het openbaar houdt in dat alle andere mensen in de samenleving van de uiting kennis kunnen nemen en is essentieel voor deze vrijheid. Het kernpunt van vrijheid van meningsuiting is verbonden aan een mening die tegendraads is aan de heersende opvatting. Juist in die gevallen moet het mogelijk zijn een mening te verkondigen zonder bang te hoeven zijn voor negatieve consequenties.
    Voortschrijdende technologie kan nieuwe platformen creëren die nu nog niet bestaan en om die reden is de opsomming van verspreidingskanalen niet limitatief.
    Merk op dat de definitie op zichzelf geen beperkingen inhoudt.
  • 2.7], [3.4] Vrijheidsbeperking kan zowel aanvaardbaar als onaanvaardbaar van aard zijn. Aanvaardbare vrijheidsbeperking is een beperking aan de vrijheid van een individu die redelijk en billijk is en appelleert aan normen en waarden in de samenleving. Zij vloeien vaak voort uit natuurrechten. Gestuurd door zijn morele kompas zullen aanvaardbare vrijheidsbeperkingen door het individu als terecht worden beschouwd. Als gevolg hiervan zullen dergelijke beperkingen aan handelingen, acties of uitingen vaak door het individu vrijwillig aan zichzelf worden opgelegd.
    Onaanvaardbare vrijheidsbeperking omvat acties van agressor gericht tegen de vrijheid van een individu, of groep van individuen, die conflicteren met normen en waarden, zoals opvattingen over goed en kwaad, die algemeen gangbaar zijn in de samenleving. Onaanvaardbare vrijheidsbeperkingen bestaan uit maatregelen of handelingen die zijn gebaseerd op verwerpelijke gronden.
  • 2.8] Actief recht omvat het recht dat een individu actie kan nemen, zowel in reactie op een externe gebeurtenis als op eigen initiatief. Het onderscheidende kenmerk is dat uitoefening van dat recht vanuit het individu wordt geïnitieerd.
    Passief recht is recht dat automatisch geldt zonder dat het individu daarvoor iets hoeft te doen. Het is een status quo. Kernpunt van schending van passief recht is dat er een actie door een ander individu is of wordt geïnitieerd om die status quo aan te tasten. Bij inbreuk van dit passieve recht door een ander heeft het individu onlosmakelijk het actieve recht te reageren binnen redelijke en billijke mate zonder dat dat potentieel negatieve consequenties heeft voor zijn vrijheid of eigendom.
    Recht op integriteit van lichaam en geest is een voorbeeld van passief recht. Recht op zelfverdediging is voorbeeld van een actief recht.
  • 2.9], [3.1.3] Een individu kan eigendommen hebben of verwerven, en heeft (na ze verworven te hebben) een beschikkingsrecht over zijn bezittingen, ofwel het kan zelf bepalen wat het met dat eigendom kan doen zonder dat een ander hierop gerechtvaardigd dwang of een andere invloed kan uitoefenen.
    Het beschikkingsrecht impliceert tevens dat individuen niet vrijelijk over het eigendom van een ander individu kunnen beschikken zonder diens uitdrukkelijke vrijwillige toestemming. Inbreuk op dat recht heeft potentieel negatieve consequenties voor de vrijheid of eigendom van de inbreukpleger. Toegevoegd is of behoort die te hebben, omdat een inbreukpleger ermee weg kan komen, bijvoorbeeld omdat die niet betrapt wordt.
  • 2.10] Een mondig individu heeft het naar eigen goeddunken en in vrijheid verbindingen met andere individuen aan te gaan en kan die naar eigen wil ook weer opzeggen.
    Ieder individu heeft ook het recht op niet-aangaan van verbindingen, met andere woorden  het recht onderscheid te maken (te discrimineren) met wie hij interacteert, zowel tijdelijk – bijvoorbeeld in een sociale context – als in structureel verband via associatie.
  • 2.11], [3.1] Natuurrechten vloeien direct voort uit de menselijke aard en hebben universeel bestaansrecht; het zijn rechten die van nature als rechtvaardig worden beschouwd. Het zijn de meest basale rechtsovertuigingen die los staan van het geformaliseerde en gecodificeerde recht. Natuurrechten omvatten een stelsel van rechten dat instinctief als algemeen geldend door samenlevingen wordt aangenomen en altijd en overal geldig is. Degenen die religieus zijn zouden hun God kunnen bestemmen als degene die hun die natuurrechten heeft verschaft.

Automatisch in de definitie houdt in dat een individu geen moeite hoeft te doen dat recht op te eisen. Onlosmakelijk impliceert dat een natuurrecht aan een individu is gekoppeld, met al diens unieke eigenschappen. Bij diens geboorte betekent dat het blote feit dat een individu is geboren voldoende is, ook al kan dat in dat stadium nog niet voor zichzelf zorgen of opkomen. Met onvervreemdbaar wordt bedoeld dat natuurrechten niet kunnen worden afgepakt. Ze zijn daarom ook niet toegekend of verkregen; dat zou impliceren dat er een hogerliggende macht (zoals een staat of andere autoriteit) is die dat recht verleent en om die reden ook weer kan terugnemen naar wil of willekeur. Doorredenerend zou een recht dat wordt verleend onderwerping inhouden.

Het moge duidelijk zijn dat natuurrechten en de specifieke wet- en regelgeving in een maatschappij dienen te worden onderscheiden. Natuurrechten appelleren aan de orde van samenleven van echte mensen, ieder van hen met een uniek leven en eigenheid. Maatschappelijke en conventionele regels betreffen de hiërarchische verhoudingen in een organisatie, in het bijzonder tussen leidinggevende en ondergeschikte posities. In maatschappelijk opzicht is een mens niet meer dan een vervangbare positiebekleder. Zijn taakomschrijving verandert met elke reorganisatie van de maatschappij of wijziging van zijn positie of functie.
Sommige libertariërs, zoals Milton Friedman, Ludwig von Mises, en Friedrich Hayek rechtvaardigen natuurrechten niet alleen op fundamentele, morele gronden, maar ook op praktische gronden. Hun standpunt komt er in het kort op neer dat individuele vrijheid leidt to economische efficiëntie en om die reden maximale welvaart in de samenleving zal bewerkstelligen.

  1. 2.12] De begrippen samenleving en maatschappij worden in de volksmond vaak als synoniem beschouwd, maar zijn in essentie verschillend. Het verschil tussen beide is in zijn kern het verschil tussen ‘individuele focus’ versus ‘institutionele formalisering’.
    In een samenleving vervult een mens als individu verscheidene rollen gedurende zijn leven, zoals die van vader, clublid, buurtgenoot, zus, collega, of iemand die dezelfde religie aanhangt. Interactie – zoals handel drijven, lid worden van een volleybalvereniging of een discotheek bezoeken – geschiedt op basis van vrijheid en vrijwilligheid, gestuurd door individuele voorkeuren en motivaties.
    Van een maatschappij is sprake wanneer taken en verantwoordelijkheden van hogerhand hiërarchisch zijn georganiseerd en gereguleerd in instituties, zoals bijvoorbeeld onderwijs, rechtspraak, infrastructuur en defensie. Communicatie, samenwerking en interactie onderscheiden de menselijke samenleving wezenlijk van andere vormen van samenwerkingen in de natuur. Het fundamentele rechtsbeginsel daarvan is wederzijds respect voor elkaars individualiteit[1]. Op de keper beschouwd is mondigheid maatgevend voor een natuurlijke orde van vrijheid gebaseerd op gelijkwaardigheid. Om een zinnig gesprek mogelijk te maken, moeten de gesprekspartijen (de “mondigen”) elkaar vrijheid van spreken toestaan, bereid zijn elkaars vragen te beantwoorden en op elkaar te reageren, en ervan afzien andere meningen te negeren, te ridiculiseren of anderszins te torpederen.
  1. 13.      [2.13] Normen en waarden zijn op de keper beschouwd verschillende begrippen, maar worden vaak in een adem genoemd.
    Normen zijn richtlijnen hoe individuen sociaal gewenst met elkaar omgaan. Ze vormen de verbinding tussen algemene waarden (zoals onafhankelijkheid, vrijheid, fatsoen, gerechtigheid, respect voor andermans bezit, verantwoordelijkheid) en concrete gedragingen en handelingen. Wat als normaal en nagenoeg vanzelfsprekend wordt beschouwd (de norm), komt voort uit een overtuiging (de waarde). Normen zijn opvattingen in de samenleving over hoe mensen zich wel of niet zouden moeten gedragen in concrete omstandigheden en situaties.
    Waarden zijn idealen die in een samenleving of groep als waardevol en wenselijk worden beschouwd. In de context van de hier gehanteerde definitie zijn waarden intrinsiek van aard met een ethische connotatie: waarden die nastrevenswaardig zijn vanuit het principe dat het deugdelijke behoort te worden gedaan en het ondeugdelijke te worden nagelaten. Waarden zijn veelal ontstaan uit culturele en religieuze opvattingen. Ze vestigen de onderliggende motieven en idealen waarop de meer concrete normen – soms, maar niet altijd, uitgedrukt in gedragsregels – zijn gebaseerd. In Westerse samenlevingen vinden in veel gevallen normen en waarden hun oorsprong in christelijke beginselen.
    Daden die de orde van samenleven verstoren worden overal en altijd erkend als “wat niet normaal is”: moord en doodslag, geweldpleging, marteling, diefstal, fraude, terreur, en dergelijke. Deze misdaden hebben een andere lading dan overtredingen van regels die niet rechtstreeks voortkomen uit natuurrechten. Die regels verschillen van cultuur tot cultuur, van maatschappij tot maatschappij, en zijn veranderlijk in de tijd. Dat houdt in dat ze geen fundamentele, normatieve geldigheid hebben, en er derhalve geen basis is om ze met alle beschikbare middelen af te dwingen.
    Naast de algemeen in de samenleving geaccepteerde waarden, spelen ook persoonlijke waarden een rol: waarden die een individu zelf belangrijk vindt. Hierop hebben aspecten als gangbare opvattingen in de familie, opvoeding, vriendenkring, woonomgeving, en opleiding invloed. Maatschappelijke en persoonlijke waarden hoeven om die reden niet altijd in elkaars verlengde te liggen.
  2. 2.14] “Redelijkheid en billijkheid” is een beginsel dat in de context van algemeen aanvaardbare, intuïtief logische en moreel juiste normen en waarden moet worden beschouwd. Strikt genomen heeft het criterium van redelijkheid en billijkheid dus een moralistisch tintje en heeft daarom in een libertarische context geen absolute betekenis of plaats. Wat redelijk en billijk is krijgt snel een subjectieve invulling en kan niet los worden gezien van de context van een specifiek geval.
    Algemeen aanvaardbaar verschaft uitdrukkelijk geen privilege aan de meningen of opvattingen van een meerderheid. Ook kan er in de context van bepaalde groepen of religies in de samenleving een andere perceptie bestaan van wat algemeen aanvaardbaar inhoudt. De verbinding met gewoonterecht in de definitie houdt in dat het eerlijke en rechtvaardige karakter zich heeft gevormd door de eeuwen heen en van generatie op generatie is overgedragen, mede door religieuze invloeden en historische gebeurtenissen. Rationeel handelend ontspeent het begrip van een emotionele context.
    Van partijen die een overeenkomst sluiten, kan niet worden verwacht of verlangd dat zij alle mogelijke eventualiteiten in die overeenkomst opnemen. Overeenkomsten zouden ellenlang worden en een zeer lange tijd vergen om alles te vervatten en zouden vrijwel nooit meer worden afgesloten als dat het geval zou zijn. Redelijkheid en billijkheid is daarom een handvat voor kwesties die niet expliciet zijn afgesproken en vastgelegd.
  3. 15.       [3.3.2] Het principe van proportionaliteit geeft uitdrukking aan beperkingen en wel in de mate waarin een individu kan reageren op inbreuken op zijn vrijheid of rechten. Dat principe van proportionaliteit ligt in lijn met het principe van wederkerigheid. Dat is, de interactie tussen individuen in sociale contactsituaties op basis van wederzijds respect voor elkaars opvattingen of manieren van doen. Een aanvaller roept over zich af dat hij respect van degene die wordt aangevallen buiten werking stelt. Daarmee kan een reactie ter verdediging snel escaleren in een cascade van agressieve acties en reacties. Libertarisme is niet hetzelfde als pacifisme; een libertariër hoeft geen modelburger te zijn en lijdzaam toe te zien dat zijn natuurrechten worden geschonden. Desondanks is het vanuit het oogpunt van een vreedzame samenleving wenselijk dat ze in een redelijke en billijke verhouding staan tot de initiële actie of handelingen waarmee het individu werd geconfronteerd. Een maatstaf voor redelijkheid en billijkheid is, of het beoogde doel van de reactie met minder negatieve consequenties voor de agressor (of agressoren) kan of had kunnen worden bereikt.
  4. 16.      [3.3.3] Het vervangingsbeginsel – ook wel genoemd het subsidiariteitsprincipe – behelst dat in gevallen waarin een individu een keuze heeft tussen verschillende manieren om zijn doel te bereiken of zijn ambities te verwerkelijken, het de manier kiest die voor anderen de minste last veroorzaakt. Strikt genomen is dat geen zuiver libertarisch principe – tenzij het NAP wordt geschonden –, maar in het streven naar een vreedzame samenleving met anderen die hun eigen natuurrechten hebben, is het vervangingsbeginsel een logische, gewenste houding.

Hierbij geldt de kanttekening dat impliciet wordt verondersteld dat de alternatieven min of meer gelijkwaardig zijn in de kwaliteit of kwantiteit van het resultaat en/of dat ze van het individu een in termen van redelijkheid en billijkheid vergelijkbare investering vragen in geld, inspanning of moeite. Indien een eventueel alternatief onevenredig beslag legt op het individu, dan mag het individu afzien van dat alternatief.
Opgemerkt wordt dat naast alternatieve manieren ook de last kan worden gecompenseerd.

  1. 3.1.1] Streven naar levensgeluk is een oerkracht die onlosmakelijk met het menszijn is verbonden. Er geldt als enige restrictie dat het streven de natuurrechten van anderen niet mag schenden. Dit streven dient door anderen zonder voorbehoud te worden gerespecteerd.
    De restrictie is logisch en vanzelfsprekend, en zorgt ervoor dat streven naar levensgeluk niet gesanctioneerd wordt als dat gepaard gaat met crimineel gedrag.
  2. 3.1.2] Behoud van de integriteit van lichaam en geest is nauw verwant aan overlevingsdrang, een oerinstinct, en bepalend voor vrijheid. De natuurlijke mogelijkheden (zoals bepaald door talenten, intellect, vaardigheden, e.d.) en beperkingen van een lichaam en geest van een individu zijn een gegeven voor ieder individu en mogen niet door een ander individu verder worden ingeperkt.
  3. 3.1.3] Ieder individu heeft het natuurrecht op eigendom, met dien verstande dat het eigendom eerlijk verkregen moet zijn. Dit impliceert dat eigendomsrecht vervalt, wanneer dat door of via chantage, bedrog, fraude, onredelijke druk, etc is verkregen. De eisen van normaal geachte omstandigheden en redelijkheid en billijkheid geven aan dat de instemming van de vorige eigenaar in een objectieve context als vrijwillig kan worden beschouwd. Neem bijvoorbeeld een situatie waarin iemand in een woestijn, gedwongen door dorst en uitputting, voor een glas water afstand doet van zijn huis. Hoewel dat vrijwillig wordt gedaan, in welke mate is de transactie redelijk en billijk?

Eigendom valt automatisch toe aan een individu indien dat door dit individu zelf door diens arbeid of geestelijke inspanning is gecreëerd of voortgebracht; er is immers geen vorige eigenaar. De creëerder kan over dat eigendom op dezelfde manier beschikken op de manier waarop hij of zijn dat goeddunkt resp. daarmee kan doen wat hij of zij wil.

  • 20.      [3.1.5] Zelfverdediging raakt direct aan het fundamentele bestaansrecht van menszijn. Eerst en vooral mag een individu zich verdedigen tegen aantasting van de integriteit van zijn eigen lichaam of geest door een agressor of agressoren. Daarnaast strekt het recht zich uit tot verdediging tegen inperking van bewegingsvrijheid en tegen aantasting van eigendom. Verdediging van dierbaren (familie, vrienden, etc) is een logische uitbreiding, al is dat in strikte zin geen zelfverdediging.
    Opgemerkt wordt dat een dreiging van dwang of geweld op zichzelf voldoende is zich te beroepen op zelfverdediging.
  • 3.1.6] Wraak is vergelding van een aangedane schending van een natuurrecht, een oeroude menselijke reactie op aangedaan onrecht. Het onrecht wordt niet ongedaan gemaakt, maar bezorgt de agressor schade of leed als genoegdoening. Wraak kan verbaal van aard zijn (een belediging vergelden met een andere belediging), of geweld of een andere vorm van agressie behelzen. Bijzondere vormen van wraak zijn bloedwraak, de vergelding van een moord of een verwijtbaar ongeluk, en eerwraak, vergelding van extreem gezichtsverlies of familieschande.

Oorspronkelijk werd het “oog om oog, tand om tand”-beginsel letterlijk toegepast: wie onrecht was aangedaan claimde het recht dit zelf te vergelden, en wel met precies hetzelfde onrecht. De voortgeschreden beschaving in vooral Westerse maatschappijen heeft met zich meegebracht dat dit natuurrecht ter zijde is geschoven, mede onder invloed van christelijke normen en waarden (“de andere wang toekeren”). Wraak heeft meer het karakter gekregen van genoegdoening c.q. compensatie voor geleden schade of leed (smartengeld).

De overheid heeft zich het monopolie op geweld toegeëigend en alleen de overheid mag strafmaatregelen nemen of dwang toepassen. De rechtvaardiging hiervoor was enerzijds om ongerechtvaardigde wraakacties uit te bannen (of in ieder geval af te schrikken door “spelen voor rechter en beul” strafbaar te stellen) en anderzijds om een eindeloze spiraal van wraak en wederwraak (zoals in familievetes) te voorkomen. Dat laat echter onverlet dat er een natuurrecht op wraak is.

  • 3.2.1], [3.2.2]  Ieder individu heeft recht op aangaan van verbindingen, in ruime zin, met anderen. De enige restrictie van dit recht is dat de verbinding met anderen niet ten doel mag hebben de vrijheid c.q. de rechten van anderen te schenden. Hierdoor zou immers het NAP worden geschonden.

Voorts kan niemand ertoe worden gedwongen een verbinding onvrijwillig aan te gaan. Zo kan een individu niet gedwongen worden lid te worden van een vereniging, bijvoorbeeld een collectief samenwerkingsverband, zoals een Vereniging van Eigenaren, een biljartclub of een buurtvereniging.

Aangegane verbindingen kunnen eenzijdig door een individu worden opgezegd. Als beperking hierbij geldt dat eventuele schade die voortvloeit uit verplichtingen die bij de eraan voorafgaande verbinding of vereniging zijn afgesproken, dient te worden gecompenseerd, tenzij er sprake is van een onjuiste voorstelling van zaken ten tijde van het aangaan van de verbinding (dwaling).

Een speciale categorie is een huwelijksverbintenis, waarbij de door beide partijen bekrachtigde belofte voor het leven geldt; trouw tot in de dood, in voor- en tegenspoed. Toch wordt deze soms eenzijdig – dat wil zeggen zonder dat er sprake is van wederzijds goedvinden – verbroken. Dergelijke contractbreuk kan niet zonder consequenties blijven en de veroorzaakte schade en/of leed dient te worden gecompenseerd.

  • 3.2.3] Discriminatie heeft in het dagelijkse taalgebruik een negatieve connotatie. In libertarisch perspectief heeft discrimineren de zuivere taalkundige betekenis van onderscheid aanbrengen en betekent het recht op discriminatie het recht op onderscheid maken. Discriminatie impliceert in dat kader dat een individu vrij is zich te verbinden met wie het wil, alsook zich te onttrekken aan of af te zien van een verbinding die het niet wil aangaan. In dit verband mag een individu zaken doen of omgaan met wie het wil, of de toegang tot zijn huis beperken tot roodharige, islamitische homoseksuelen.
  • 3.3.1] Het non-agressieprincipe (NAP) voelt voor ieder mens gevoelsmatig moreel juist en logisch. Met NAP kun je een samenleving creëren die een maximaal haalbare vrijheid kent voor zo veel mogelijk mensen. Het NAP stelt dat een individu geen agressie dient te initiëren jegens een ander individu of groep van individuen. Het NAP houdt niet in dat ieder gebruik van agressie niet te rechtvaardigen is. Het NAP is dus niet synoniem met pacifisme. Van initiëren is geen sprake als het individu reageert op een agressor. Het individu mag dan zelf, dan wel samen met anderen, agressie, inclusief geweld, gebruiken ter zelfverdediging, maar is wel gehouden zijn gebruik van geweld te doseren en niet verder te gaan dan noodzakelijk is om de de agressie, de dwang, het geweld of de dreiging daartoe te pareren en te neutraliseren (in lijn met het principe van proportionaliteit).

Overtreffend geweld dient met dezelfde achterliggende gedachte te worden vermeden waar en wanneer dat mogelijk is. De overtreffende aard van een respons kan immers worden aangemerkt als een initiatie van een nieuw niveau van geweld en staat daarmee op gespannen voet met het NAP.
De formulering waar en wanneer mogelijk moet worden opgevat als een na te streven beginsel; deze duiding onderkent dat in sommige gevallen overtreffend geweld gerechtvaardigd is, bijvoorbeeld in een situatie waarin het geweld van de ander niet op een andere manier kan worden beteugeld of wanneer er een dreiging blijft bestaan.

  • 3.4.1] Als algemeen uitgangspunt dient een individu de natuurrechten van anderen te respecteren. Dit wederkerigheidsbeginsel wordt door het Nederlandse spreekwoord “wat gij niet wil dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet” treffend verwoord.
  • 26.      [3.1.4], [3.4.3] Bij uitoefening van zijn natuurrecht op vrijheid van meningsuiting dient een individu zich te onthouden van uitingen die:oproepen tot of sanctioneren van schending van natuurrechten van een ander individu.
  • 3.4.4] Zolang gebruik van eigendom binnen de grenzen van het NAP valt, is er geen sprake van misbruik.

[1]  van Dun, Frank, Het Fundamenteel rechtsbeginsel, ISBN 9789079481071 (2013)

Categorieën: Geen categorie